Historische Vereniging Aduard.  Ziekenzaal, Abdijkerk

De ziekenzaal

 

Voor bezoek en rondleiding: Museum St. Bernardushof

Het museum verzorgt rondleidingen in de 13e eeuwse ziekenzaal van Aduard. U wordt begeleid door geschoolde gidsen die de geschiedenis van het oudste medische gebouw van Nederland en haar relatie tot het kloosterterrein vertellen.

Tussen ca. 1192 en 1600 stond op de plaats van het huidige dorp Aduard één van de grotere Cisterciënzer abdijen van noordwest-Europa: de St. Bernardusabdij. Dit klooster herbergde zo'n 100 koormonniken en meer dan 500 lekenbroeders en had het aanzien van een stad. Alle gebouwen zijn gesloopt, behalve de ziekenzaal van de koormonniken. Deze is in 1595 in gebruik genomen als kerk voor de Protestantse eredienst.
De ziekenzaal is gebouwd in 1297 en wordt beschouwd als het schoolvoorbeeld van de Groninger Romano-Gotiek. Kenmerken hiervoor zijn o.a. de prachtige variaties aan metselverbanden en de toepassing van vele soorten profielstenen en geglazuurde gewonden staven. Zeer zeldzaam is de uit de bouwtijd daterende tegelvloer bestaande uit geglazuurde vloertegels met o.a. bloemmotieven in reliëf. Het kruis in de vloer verwijst naar het dodenritueel van de Cisterciënzers.
De ziekenzaal van Aduard is het oudste medische gebouw van Nederland en is in verkleinde vorm nagebouwd in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Onderwerpen tijdens de rondleiding zijn o.a:

  • de bouwgeschiedenis;
  • de betekenis van het kruis in de zeldzame tegelvloer (het dodenritueel);
  • hoe gebruikten de Cisterciënzer monniken zo'n ziekenzaal;
  • het onderaardse gangenstelsel;
  • de kerkfunctie sinds 1595 en de rol van Evert Joost Lewe van Aduard;
  • de Lewebanken en de grafkelder.

Bouwgeschiedenis

Het enige nog resterende gebouw van het vm. St. Bernardus klooster in Aduard is wat tegenwoordig 'De Abdijkerk' genoemd wordt. Die benaming heeft het gekregen vanwege het tweeslachtig karakter. Het is gebouwd als ziekenzaal in 1297 onder het bestuur van abt Henricus I. Na de opheffing van het klooster is het ingericht voor de Gereformeerde eredienst en is het vanaf die tijd steeds als kerk in gebruik geweest.

In 1580 is er in en rondom het klooster gevochten tussen Spaanse en Staatse legers. Er is vermoedelijk brand uitgebroken en de monniken zijn gevlucht. In 1594 werd het Katholicisme als godsdienst in de provincie Groningen verboden. In dat jaar of iets later zoeken de eerste dorpsbewoners een onderkomen voor de Gereformeerde eredienst. De keuze valt op de ziekenzaal. De rest van de imposante abdij, inclusief de grote kruiskerk, wordt van de kaart geveegd. De grootte van de ziekenzaal - er kan een redelijk aantal mensen in en het is enigszins warm te stoken - en de gunstige ligging aan de hoofdweg door het vm. kloosterterrein, zullen bij het maken van een keuze een hoofdrol gespeeld hebben. In 1595 benoemt men de eerste predikant.

De provincie confisqueert de kloostergoederen. Er wordt een landjonker aangesteld, die in de rechtsstoel Groot Aduard het voor het zeggen heeft en ook rechtspreekt. Later verkoopt de provincie deze rechtsstoel in delen. Een zekere Johan Clant koopt ze allemaal op en wordt de zittende magistraat in Aduard. In 1700 verruilt hij al zijn bezittingen inclusief zijn behuizing met Evert Joost Lewe voor de borg Ludema bij Usquert. De 18e eeuw in Aduard is voor de Lewes.
In 1723, zo vertellen de schilden op het preekgestoelte in de ziekenzaal, renoveert Evert Joost Lewe van Aduard dit gebouw. De middeleeuwse ziekenzaal wordt verbouwd en omgetoverd in een heuse kerk. Het meubilair - het preekgestoelte, de herenbank, de Lewebanken, de avondmaalstafel, het koorhek en vermoedelijk de zitbanken - laat hij in dat jaar maken of zullen misschien in dat jaar geplaatst zijn.

Rond 1900 is de bouwkundige toestand zeer slecht. De Hervormde gemeente kan een restauratie niet bekostigen en verkoopt het aan het Rijk. In 1917 vangt de restauratie aan. Uitgangspunt is het gebouw te ontdoen van de 18e eeuwse ingrepen van Evert Joost Lewe en het zo terug te brengen in de oorspronkelijk middeleeuwse staat. Dit huzarenstukje wordt voltooid in 1928. De kerk wordt weer een ziekenzaal.
1997 Is het jaar van het 700-jarig bestaan van het kloostergebouw.

De identificatie van ziekenzaal is pas gekomen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Tot aan de restauratie van 1917-’28 sprak men van ‘waag’, maar na het herstel van de oorspronkelijke gevelindeling bleek die interpretatie onhoudbaar. Daarna werd het ‘eetzaal’. Een benaming die sinds de opgravingen in de jaren 1939-’41 niet meer van toepassing is.

Waag

Over de functie van de 'Abdijkerk' is in de loop der eeuwen nogal verschillend gedacht. Twee benamingen duiken steeds weer op: magazijn (waagplaats) en eetzaal. In 1830 schrijft J.G. Rijkens in de 'Almanak ter bevordering van goede kennis en smaak' het volgende:

'Het eenige dat wij nog van de onderscheidene groote gebouwen aantreffen, is de kerk der gereformeerden te Aduard, dewelke men houdt voor het oude magazijn en de waagplaats. Dit verheven gebouw, welks muren nagenoeg eene nieuwe elle dikte hebben, is ongeveer 40 voeten breed, 120 lang, en 60 voeten hoog. Het oostelijk gedeelte maakt de zoo fraaie kerk van Aduard uit, welke, schoon niet in grootte, in netheid en smaak in den rang der schoonste kerken, ten platten lande mag opgenomen worden. Het westeinde bevat de school en des meesters woning. De vriendelijke onderwijzer L.J. Sikkema deed mij het vermaak, om niet alleen het benedenste, maar ook het bovenste gedeelte van dit gebouw te laten zien. Ik verwonderde mij over de menigte beelden, welke ik daar in den zware muren ontdekte. Tien ronde, en zes van eene boogswijze gedaante ingemetselde holligheden, bevatten ieder eene verschillende figuur of cachet, zekerlijk gediend hebbende om eene juiste aanwijzing te geven, zoowel van de opgeslagene goederen, als van de plaats zelve, waarvan deze goederen, onder vertooning van gelijk cachet, konden gevonden en aangewezen worden. Deze merkteekenen zullen zeker langs het geheele gebouw geplaatst zijn geweest, edoch daar de kerk eenen aanvang neemt, zijn dezelve wegens de hooge zoldering, onzigtbaar geworden. Aan de noordkant van den kerkmuur zijn eenige overblijfsels (piramidaal), van welke sommigen, en weer anderen, aan den muur bevestigd zijn; dit heeft mij op het denkbeeld gebracht, dat dit mogelijk aangebragte lootsen zullen geweest zijn, waarin men de goederen, vóór dezelve gewogen of nagezien werden, voorloopig bewaarde. In het torentje, boven de school, hangt de schelklinkende Margaretha van ruim 376 jaren oud.'

De woonkamer op de zolder van de schoolmeester van Aduard. Rechts de muur die de scheiding vormde tussen het schooltje en de kerkzaal.
In de muur de 'holligheden', het originele 13e eeuwse siermetselwerk van de ziekenzaal.
© Groninger Archieven

De heer Rijkens heeft de 'Abdijkerk' bezocht toen in het westelijke gedeelte nog een school gevestigd was met een grote zolder erboven waar de schoolmeester woonde. Het schooltje was van het kerkgedeelte afgescheiden door een muur op de plaats waar zich nu het houten hek bevindt. De kerkruimte had een gestuct plafond onder de balkenlaag. De zolder van het schooltje was lager, omdat de schoolmeester er boven woonde. Op die zolder was het middeleeuwse metselwerk niet weggewerkt achter een dikke pleisterlaag. Wat Rijkens aantrof is te zien op de tekening van het metselwerk. De metamorfose van middeleeuwse ziekenzaal naar 18e eeuwse kerk was het werk van Evert Joost Lewe, heer van Aduard, die het collatierecht over de kerk bezat. Naast het wegwerken van de bakstenen decoraties, verkleinde hij de gotische vensters tot eenvoudige rondboogvensters. Het houten tongewelf moet toen ook zijn gesloopt.
Met de 'menigte beelden' bedoelt de heer Rijkens de toppen van de gotische vensters en spaarvelden en daartussen de rondingen die ook wel ‘oculi’ genoemd worden.

Aan de buitenkant van de noordmuur heeft hij 'piramidale overblijfsels' gezien. Dit zijn de daksporen van waarschijnlijk de daken van twee aangrenzende gebouwen. Vóór de restauratie waren er zelfs meerdere.
Waar de benaming magazijn of waagplaats vandaan komt is mij niet bekend. Rijkens geeft dat ook niet aan. Meester Sikkema is er al evenzeer onduidelijk over in een schoolmeestersrapport van 1828:

'Volgens hedendaagsche, mondelinge overleveringen, zoude het Gereformeerde kerkgebouw eene waag geweest zijn, waarin de goederen gewogen werden van die plaatsen, waarvan het klooster het stapelrecht bezat. De cellen, aan de binnenzijden der kerkemuur, op den zolder van den onderwijzer, zouden de cachetten of wapens van de toenmalige onderscheidene districten of ambten of hoe die verdeelingen ook geheten hebben, geweest zijn.'

Uit de verhalen van zowel Rijkens als Sikkema blijkt, dat zij de functie van de ornamenten verklaren in de veronderstelling dat het gebouw een magazijn is geweest. Nu is bekend, dat de 'cellen' of 'beelden' een zuiver decoratief doel hebben gehad. Toch is het interessant om te lezen hoe Aduarders en anderen door de eeuwen heen gestoeid hebben met de vraag, waartoe het gebouw nu werkelijk gediend heeft.

Eetzaal

Herhaaldelijk is in de literatuur ook de benaming 'eetzaal' terug te vinden. Die term is geïntroduceerd door de Provinciale Groningse Archeologische commissie, die in een jaarverslag over 1916-'17 zegt:

'De restauratie der kerk te Aduard, in 1917 aangevangen, belooft een schitterend resultaat te zullen hebben. De vooze afscheiding is weggeruimd, daarna werden de binnenwanden ontdaan van de dikke laag kalk, die er wellicht in de 16de of 17de eeuw op was aangebracht. De blootlegging van de baksteen doet den fraaien bouwtrant van het gebouw helder uitkomen. De vroegere meening, dat dit gebouw oorspronkelijk een voorraadschuur zou zijn geweest, komt ons niet meer aannemelijk voor; aan zulk een "spiker" zou men niet zulk een weelde van lijnen hebben besteed. Liever zouden wij willen denken aan een reventer of kapittelzaal, indien deze met de moeilijk vast te stellen topographie der abdij daar ter plaatse mogelijk zou zijn.'

In een verslag uit 1926 volgt:

'De kerk van Aduard bleef onze groote aandacht trekken. Heerschte er vroeger de meening, dat zij de oude abdijkerk zou zijn - een meening ook door Mr. S. Gratama gedeeld - wij meenden daaraan niet zonder reden ernstig te mogen twijfelen. Veelal - misschien zelfs in den regel - werden dochterkloosters gebouwd naar het type van het moederklooster. Voor Aduard zochten wij dus vergelijking met plattegronden van Citeaux en ander Cisterciënzerkloosters; en op grond daarvan meenden wij in het nog bewaarde gebouw te moeten vermoeden het refectorium of de abdijzaal. De kruisgang, die blijkens de sporen van een groote en een kleine deur aan de noordzijde van het gebouw heeft aangesloten, moet dan hebben gevoerd tot de abdijkerk, welke dus in de noordelijk gelegen moestuinen zou hebben gestaan. Deze opvatting bleek geheel in overeenstemming met de plaatselijke overlevering te zijn. Zij werd bovendien bevestigd door een mededeeling van prof. Dr. F.M. Jaeger. In een afvoerkanaaltje toch, dat het gebouw heeft gehad, werd nog een inhoud gevonden, dien hij na onderzoek vast kon stellen als te zijn keukenafval. Onze meening, dat de tegenwoordige kerk oorspronkelijk zou zijn geweest het refectorium der Aduarder abdij is dus van alle zijden bevestigd en heeft dan ook ingang gevonden.'

Het blijkt dus, dat de commissie de resten van aanbouw aan de noordgevel geïnterpreteerd heeft als zijnde de aansluiting van de oostelijke kruisgang op de eetzaal. Op de plattegrond van het klooster is dit te zien. Nr. 8 is de eetzaal en nr. 17 de ziekenzaal. De Archeologische Commissie heeft dus 17 voor 8 aangezien. De eetzaal zou dan parallel aan de zuidelijke kruisgang gestaan hebben, wat ook in Citeaux het geval is. In theorie is dit mogelijk. Hoe het ook zij, in 1926 wist men nog niet waar het centrum van het klooster werkelijk lag en kon men de echte eetzaal dus niet lokaliseren. Niettemin was het een onderbouwd verhaal dat aannemelijker klonk dan dat van de waag.

Opgravingen

In de jaren 1939, 1940 en 1941 heeft Prof. dr. A.E. van Giffen een grootschalige opgraving geleid op het kloosterterrein van Aduard. Hij traceerde niet alleen de echte Abdijkerk, maar ook het centrum van het klooster.

1940. Opgravingen naast de ziekenzaal.
© vakgroep Archeologie, RUG

In alle Cisterciënzer abdijen hebben de belangrijkste gebouwen een vaste plaats. Ze zijn middels een kloosterhof aan elkaar verbonden. Deze vaste configuratie van gebouwen noemt men de standaardplattegrond of ideaalplan. Zie hiervoor de reconstructie van de plattegrond van Aduard die gemaakt is op basis van de opgravingsresultaten. Ook Aduard voldoet aan dit ideaalplan: Aan de zuidkant van de kerk bevindt zich een hof omgrensd door gangen in carrévorm (omslag, nrs. 10 en 11). Aan de oostkant van de vierkant liggen de gebouwen van de monniken (nrs. 2 t/m 6), aan de westkant de gebouwen van de conversen (nrs. 4, 6 , 13 en 14) en aan de zuidkant van oost naar west respectievelijk de verwarmde zaal, de eetzaal en de keuken (nrs. 7 t/m 9). De opgravingen traceerden de eetzaal loodrecht op de kloosterhof. Daarmee was de identificatie van eetzaal voor het gebouw van de baan. De huidige ‘Abdijkerk’ ligt immers enkele tientallen meters zuidelijker. Ook hier stak hij de spade in de grond. Langs de noordgevel kwamen funderingsresten te voorschijn van gebouwen die aan de ziekenzaal vast hebben gezeten en die deel uitgemaakt zullen hebben van het gehele ziekenhuiscomplex. De relatie met de daksporen was hiermee ook gelegd.

Restauratie

Het doel van de restauratie was van de 18e eeuwse kerk weer een middeleeuws kloostergebouw te maken. Daartoe hebben de restaurateurs de stuclaag verwijderd. De middeleeuwse raamvormen, evenals de oculi en de spaarvelden, kwamen toen sterk verminkt te voorschijn. In elk travee ontdekte men boven in de gevel een grote gotische raamvorm en onderin twee kleine.

1920. De eerste fase van de restauratie.
© Groninger Archieven

De westgevel van het gebouw is in de 19e eeuw in neo-gotische stijl bepleisterd en van diverse ornamenten voorzien. Het kreeg ook één grote en twee kleine gietijzeren torens. Tijdens de restauratie is deze gevel gesloopt en herbouwd. Of de huidige westgevel de oorspronkelijke vensterverdeling heeft is niet bekend. Een degelijk restauratie-rapport met een verantwoording ontbreekt. Het zou zo kunnen zijn dat de gestucte westgevel nog weinig oorspronkelijke elementen heeft gehad en dat daarom is besloten deze af te breken en opnieuw op te metselen.

Het is merkwaardig dat de restaurateurs op de gevel een zadeldaktorentje hebben laten plaatsen. De toren wekt de indruk alsof de westgevel het front van het gebouw is, terwijl oorspronkelijk de ingangen in de noordgevel zaten. Bovendien komen zadeldaktorens in de Cisterciënzer bouwtraditie niet of nauwelijks voor. De Cisterciënzers plaatsten doorgaans dakruiters op hun gebouwen, waarin een bel hing. Getuige een tekening op

een kaart van de Hoge Justitiekamer uit 1675 en een beschrijving van de kerk in het 18e eeuwse Aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa, heeft de Aduarder ziekenzaal inderdaad een dakruiter gehad. De tekening bevestigt onomstotelijk Van der Aa's mededeling, dat het gebouw een torentje had enigszins 'westwaarts van het middelpunt'.

De oudste afbeelding van de ziekenzaal
op de kaart van de Hoge Justitiekamer van 1675.
© Groninger Archieven

De oostgevel kende vóór de restauratie twee rondboogvensters en in het midden een dichtgemetseld gotisch raam. Bovenin, in het midden, was een spaarveld aangebracht. Aan weerszijden zaten twee dichtgemetselde gotische ramen.
Betreurenswaardig is het dat men de oude glas-in-lood ramen uit deze oostgevel verwijderd heeft. De ramen dateerden uit de 18e eeuw en hadden betrekking op de familierelaties van de Lewes (o.a. Clant, Alberda en Van Starkenborgh). Ze zijn spoorloos verdwenen.

De zuidgevel vormt een harmonische eenheid doordat alle negen traveeën van gelijke breedte zijn en dezelfde venstergroep hebben: één groot raam boven en twee kleine beneden. Het is niet duidelijk of deze gevel ook precies weergeeft wat de restaurateur achter de stuclaag heeft aangetroffen. Het zou kunnen zijn dat hij de gevel de harmonie opgelegd heeft en oneffenheden (aansluitingen op aanbouw naar het zuiden toe?) heeft verwijderd.

De noordgevel heeft een minder regelmatige indeling, omdat hier, getuige de dichtgemetselde doorgang en de nog zichtbare daksporen, verschillende gebouwen aan vast hebben gezeten.
In het vierde travee vanaf het westen gerekend, is tijdens de restauratie een wenteltrap toegevoegd.

Al met al is de restauratie een ingrijpende operatie geweest, die waarschijnlijk vandaag de dag niet meer zo drastisch zou zijn uitgevoerd. Niettemin hebben de restaurateurs ons een Cisterciënzer kloostergebouw teruggegeven.

Ziekenzaal

De tegenwoordige visie is, dat de Aduarder 'Abdijkerk' een ziekenzaal is geweest. De vraag is of dat ook zo is. Vooropgesteld moet worden, dat er in strikte zin geen aanwijzingen zijn gevonden die op het gebruik als ziekenzaal wijzen, zoals een plattegrond met de expliciete aanduiding of een precieze omschrijving in de kroniek. Toch zijn er voldoende aanwijzingen die, bij elkaar gezet, de conclusie rechtvaardigen dat het gebouw de ziekenzaal voor de koormonniken moet zijn geweest.

De ziekenzaal was een onmisbaar onderdeel van een kloostercomplex, maar kon vanwege het besmettingsgevaar niet geplaatst worden aan de kloosterhof. Zieke monniken moesten bovendien afgezonderd kunnen worden van de groep om een spoedige genezing te bewerkstelligen. De ziekenzaal werd daarom als regel geplaatst ten oosten van de kruisgang waaraan de vertrekken van de monniken waren gesitueerd. In de meeste grote kloosters vormde de ziekenzaal met aangrenzende percelen een tweede kloosterhof, zoals in Clairvaux in Frankrijk of in Rievaulx Abbey in Engeland.
Zoals gezegd, werden de belangrijke centrale gebouwen volgens een vast plan neergezet. De situering van de niet-centrale gebouwen is echter sterk afhankelijk van de toestand en ligging van het kloosterterrein. Het kan gebeuren, dat bij de bouw van een klooster uitbreiding aan een bepaalde kant niet mogelijk is door een aangrenzende rivier of heuvel. Een oneffenheid in het terrein aan de oostkant van het centrum kan ertoe leiden, dat besloten wordt een ziekenzaal niet standaard aan de oostkant, maar elders te plaatsen. Vanwege de beperktheid van het archeologisch onderzoek kan deze laatste redenering niet gebruikt worden om de zuidelijke ligging van de ziekenzaal in Aduard te verklaren. Misschien dat de waterhuishouding op het kloosterterrein in de beginperiode nog niet helemaal onder controle is geweest ten oosten van het centrum. Maar dit is slechts een gissing. Van de vele kloosterplattegronden die ik bekeken heb, was er slechts één die wat de plaatsing van de ziekenzaal betreft exact overeenkomt met Aduard, nl. de plattegrond van Furness Abbey in Engeland. Het zou wel zo kunnen zijn dat men een oost-west situering wilde hebben om zo een lange gevel aan meer zonlicht te kunnen laten blootstellen. De zuidkant is dan de lichte en zonnige zijde van het gebouw, waarlangs de bedden geplaatst werden.

1920. Dichtgemetselde 'bedraampjes' in de noordgevel.
© Groninger Archieven

Een facet dat op het gebruik als ziekenzaal wijst, is de indeling van de noord- en zuidgevel. De zuidgevel is verdeeld in negen traveeën. Elk travee heeft boven een groot spitsboograam en beneden twee kleine. Het plaatsen van kleine ramen zo dicht bij de vloer, wijst erop, dat zij dienden om licht te geven aan de bedlegerigen. Elk willekeurig ander kloostergebouw heeft de ramen veel hoger of in elk geval zo hoog, dat de lichtinval niet tot nut is van degene, die zich op een bed eronder plaatst. Dergelijke laaggeplaatste ramen zijn terug te vinden in o.a. de ziekenzaal van Ourscamp (Frankrijk) en in de muurresten van de voormalige ziekenzaal van het klooster Villers-la-Ville (België).
Elk travee zal plaats geboden hebben aan één bed, dat waarschijnlijk tussen de twee ramen werd geplaatst langs de muur, maar het is natuurlijk ook best mogelijk dat er meerdere bedden dwars op de muur gezet zijn.
De noordgevel kent slechts vier traveeën met de boven omschreven indeling. De andere traveeën vormden verschillende verbindingen met andere gebouwen.