geschiedenis van Aduard

St. Bernardusabdij Huis te Aduard Dorp Aduard CisterciŽnzers Middag-Humsterland Ziekenzaal rutgerproductions



Erfgoedkoepel

Museum St. Bernardushof

Zuiderpoort

Historische Vereniging Aduard


foto-archief

audio-archief

video-archief


literatuur

links

downloads


gastenboek


Historisch Westerkwartier


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De St. Bernardusabdij

 

 

 

 

 

 

''In het jaar 1192 op de negende juni, namelijk op de dag van de Heilige Bonifatius bisschop en martelaar en bondgenoten, is gesticht een klooster in Friesland, St. Bernardus in Aduard in het bisdom Münster, de tweede dochter van Klaarkamp, 38 jaar na de dood van de Heilige Bernardus. De oorzaak van deze stichting was de veelvuldige verschijning des nachts van lichten op die plaats. Dit werd, vanuit vroomheid, gezien als een voorteken voor de toekomst. Daarom werkten de gelovigen eensgezind aan de bouw van het klooster, hopende dat dit de Almachtige Heer welgevallig zou zijn die een zo duidelijke aanwijzing gaf over voorzegde plaats. Op diezelfde plaats waren zeer heilige mannen, zoals de geschriften van deze plek aantonen, die werk noch uitgaven hebben gespaard om een waardig huis voor God voor te bereiden En nadat zij dit met muren omgaven, hebben zij de heilige zeden nooit verlaten. En omdat zij zelf vaak gebrek leden, wisten zij hoe de armen te voeden.'

(c) Groninger Archieven
© Groninger Archieven

Aldus de aanhef (zie foto boven) van de abtenkroniek van het Aduarder klooster. Dit manuscript, dat zich bevindt in de Groninger Archieven, vertelt van de geschiedenis van de abdij. De tekst is in de 15e en 16e eeuw samengesteld. De naam Aduard komt hier voor het eerst in schrift voor en wel in de oudfriese versie 'Adwerth', wat waarschijnlijk 'wierde van Ade' zal betekenen. De uitleg 'oude wierde' is discutabel vanwege het ontbreken van de letter 'l', zoals in het Duitse 'alt' en het Engelse 'old'. In de loop der tijd is de naam veranderd van 'Adwerth, Adewerth, Adewarth, Aduwarth, Aduart in Aduard.

De abdij van Aduard is gesticht in 1192 door het klooster Klaarkamp. Haar naam is officieel 'Ad Sanctum Bernardum'. Het klooster is opgeheven in 1580. De kloostergemeenschap bestond uit gemiddeld 100 monniken en meer dan 500 conversen. Het landbezit bedroeg ca. 6000 ha. Het klooster vestigde zich in een gebied dat bedreigd werd door de zee. Van meet af aan heeft de abt van Aduard zich ingezet om de zee terug te dringen en het kwelderlandschap in te polderen. De Cisterciënzers hebben waarschijnlijk de techniek van het bakken van stenen geïntroduceerd in Nederland. De oudste archivalische bronnen hierover zijn de Groningse en Friese kloosterkronieken. Het klooster van Aduard heeft hier een prominente rol in gehad. De bouw van de grote kruiskerk tussen 1240 en 1263 naar model van die van Clairvaux moet blijk hebben gegeven van grote kennis op het gebied van de kerkarchitectuur en de baksteenindustrie.


In 1992 werd in opdracht van de Stichting Aduard 800 deze maquette van het klooster gemaakt door de achitect
© Eduard C. Gerds en Jakob Loer.

Onderwijs en wetenschap <

In de 13e eeuw verblijven in Aduard de Engelsman Richard de Busto en de Italiaan Emanuel van Cremona. Zij worden na hun dood door de kloostergemeenschap als heiligen beschouwd. Een poging tot canonisatie van beiden in de eerste helft van de 14e eeuw mislukt.
Richardus behaalde de graad van magister aan de universiteit van Parijs en van hem wordt gezegd dat hij zich heeft bemoeid met het onderwijs in het klooster. Hij stierf in 1266. Zijn stoffelijke resten zijn later bijgezet in de kapittelzaal, op een verheven plaats. Zijn relieken moeten bedevaartgangers naar Aduard gebracht hebben.


Emanuel was eveneens magister en bovendien bisschop van Cremona. In zijn functie als bisschop was hij in allerlei intriges verwikkeld geraakt die hem zeer vermoeiden. Daarom besloot hij zijn laatste levensjaren in rust door te brengen binnen de muren van de St. Bernardusabdij, waarvan hij tijdens zijn verblijf in Parijs gehoord had. In 1295 trok hij van Rome via Zwitserland, Duitsland en België naar Aduard. Hij overleed in 1298 en werd begraven voor het hoogaltaar. Ook van Emanuel mag verondersteld worden dat hij zich met het onderwijs aan de kloosterlingen heeft bemoeid. In elk geval weten we dat de abdij twee scholen heeft gehad: een binnen en een buiten de kloostermuren. Op de buitenschool werden de monniken onderwezen in de grammatica, waarna zij in het klooster in het auditorium de studie voortzetten in de vrije kunsten en het canoniek recht.

Waren het in de 13e eeuw een Engelsman en een Italiaan die de abdij met hun kennis hebben verrijkt, in het midden van de 15e eeuw komen geregeld geleerden uit de Noordelijke Nederlanden en het aangrenzende Duitse gebied naar Aduard. Het zijn geestverwanten die hun liefde voor de Oudheid en het Latijn met elkaar delen en discussiëren over onderwerpen als theologie en literatuur. Belangrijke deelnemers waren Rudolf Agricola en Wessel Gansfort. Ze worden wel gezien als verspreiders van het humanisme in de Lage Landen. Aduard werd zo een intellectueel centrum, een 'academia', zoals een van de deelnemers van deze 'Aduarder Kring', het formuleerde. Hij bedoelde hier waarschijnlijk mee 'geleerd genootschap' en niet ' universiteit', zoals vaak gesuggereerd wordt. Een dergelijke samenscholing van intelligentie in een monastiek bolwerk is uitzonderlijk. Het moet dan ook vooral door de bezieling van abt Henricus van Rees (1449-1485) zijn geweest dat deze groep mensen in Aduard steeds weer een thuis hebben kunnen vinden.

De Aduarder Kring naar Johan Dijkstra
In 1952, wanneer Aduard 750 jaar bestaat, drukt het Nieuwsblad van het Noorden deze pentekening af van Johan Dijkstra in een speciale Aduardbijlage.

In 1528 schrijft de Groninger Goswinus van Halen een brief aan zijn oud-leerling Albert Hardenberg met de beroemde zin "In die tijd was Aduard meer een academie dan een klooster". Het is deze brief van Goswinus van Halen, die het grootste literaire bewijs is van het bestaan van de Aduarder Kring. Hij, immers, geeft een opsomming van de leden van de Aduarder Kring van in totaal 23 namen. Er moeten er nog meer geweest zijn, omdat hij eindigt met de toevoeging 'en anderen'.

Genade en vrede. Mijn allerliefste zoon Albert, wees gegroet. Ik wens mijzelf in hoge mate geluk, zeer beminde zoon, dat je je leven zò hebt ingericht, dat je alle tijd die je kunt vrijmaken, tracht te besteden aan de letteren, en wel aan de heilige letteren. Ik ben nu eenmaal zo, dat ik niet anders kan dan hartelijk liefhebben degenen die zich zowel aan de goede als aan de heilige letteren hebben toegewijd.
In de tweede plaats wens ik ook jou geluk alsmede het hele klooster van Aduard: ik hoop dat jij er een sieraad van mag zijn. en dat het door jou en je gelijken in zijn vroegere geleerdheid wordt hersteld. Ik heb Aduard veertig jaar en langer geleden gekend: toen zou er in heel Friesland nergens een geleerd man te vinden zijn geweest, als je hem niet in Aduard had gezocht. In die tijd was Aduard meer een academie dan een klooster. Hiervan zou ik als getuigen gehad hebben, als ze nog in leven waren: Rudolf Agricola, Wessel van Groningen, Wilhelmus Frederici, pastoor, Johannes Oostendorp, die nog leeft, kanunnik te Deventer en tevens mijn leermeester, Rudolf van Langen van Munster, Paulus Pelantinus, Alexander Hegius, eveneens mijn leermeester, Johannes Canter van Groningen, de vader van de gelauwerde dichter Jacob Canter, Lambert Frijling's van Groningen en, wie ik bijna vergeten was, de gulden ridder Onno van Ewsum en ook Arnold van Hildesheim en nog anderen, die hele weken, om niet te zeggen maanden in Aduard plachten te vertoeven om te luisteren of te leren, teneinde zo dagelijks geleerder en beter te worden. Wat moet ik nog spreken van de onvolprezen Vader Hendrik van Rees? Zijn hart was niets dan een schatkamer van de Heilige Geest en goddelijke letteren; ieder woord van hem ademde de leer en de zoetheid van de Heilige Geest, zoals ik dikwijls van mijn voorganger Johannes van der Oldekercke heb gehoord. Maar waartoe dient dit alles? Opdat zij door mij worden geprezen, wier namen in het boek des levens staan. En niet alleen zijn die mannen door mij geprezen, ze zijn ook door mij bewonderd, en op verre afstand hen volgend kus ik gaarne hun voetstappen. Goede God, een hoe grote vriend is voor mij - die overigens niets ben geweest: Arnoldus Grijp, Bernardus van Doesborch, later abt, Hendrik van Edam van een veel grotere geleerdheid dan men toen gewoonlijk dacht, en ten slotte Rudolf Hilbrand, alias Bolens, die door zijn eindeloze beslommeringen de kans niet gehad heeft om de geleerdste van allen te worden. Toen hij stierf, dacht ik dat ik nooit meer zo'n vriend in Aduard zou krijgen..

Gedeelte van de brief van Goswinus van Halen aan Albert Hardenberg, waarin eerstgenoemde verhaalt van de Aduarder Kring. In 1614 is de brief gedrukt in de Opera van Wessel Gansfort.
Vertaling: Dr. F. Akkerman.

Opgravingen <

In de jaren 1939-'41 heeft prof. A.E. van Giffen opgravingen verricht op het kloosterterrein. Zijn interesse ging voornamelijk uit naar de grote kruiskerk waarvan de Aduarder kloosterkroniek vertelt dat de abt een bouwmeester-convers naar Clairvaux zond om de kerk op te nemen die de heilige Bernardus destijds had laten bouwen. Het was een driebeukige kruiskerk met een ambulatorium en een kapellenkrans. De lengte van de kerk was ca. 90 meter. Er vindt nu een hernieuwd onderzoek plaats naar de verschijningsvorm van deze kerk in de vorm van een virtuele reconstructie. De kloosterhof en belendende percelen waren gebouwd volgens de standaard Cisterciënzer plattegrond. Het kloosterterrein was zo'n 25 ha. groot, omringd met een gracht en een vestingmuur.


Aduard 1940. De graven van Aduards eerste abdijkerk liggen tussen de plaatsen van de zuilen van de tweede grote kruiskerk.
© Vakgroep Archeologie, RUG

Pas in 1977 zijn de opgravingsresultaten gepubliceerd. Zie in de literatuurlijst onder Aduard, archeologie: Praamstra & Boersma.

Jan van Scorel <

Volgens het schilderboek van Karel van Mander heeft Jan van Scorel aan het begin van de 16e eeuw een altaarstuk voor de Friese abdij 'Grootouwer' gemaakt, voorstellende het Laatste Avondmaal met levensgrote figuren. Dit schilderij is verloren gegaan, maar een werktekening ervan bevindt zich in München in de 'Staatliche Graphische Sammlung'.


De werktekening die Jan van Scorel maakte voor zijn altaarstuk voor Aduard.
© Staatliche Graphische Sammlung, München

Vermoedelijk heeft Jan van Scorel meer schilderijen voor Aduard gemaakt. Uit het provinciehuis in de stad Groningen zijn in 1879 twee exemplaren van hem overgebracht naar het Rijksmuseum in Amsterdam, namelijk Bathseba en Salomo en de koningin van Sheba. In de eerste helft van deze eeuw bestond het vermoeden, dat beide afkomstig zouden zijn uit de abdij. Later werd het standpunt gehuldigd, dat gezien de thematiek van de schilderijen, ze voor een gebouw met een burgerlijk karakter zouden zijn vervaardigd. Deze visie vinden we nu steeds in de literatuur terug. Het valt niet te bewijzen, maar het is heel aannemelijk te veronderstellen dat Bathseba en Salomo en de koningin van Sheba aan het eind van de 16e eeuw door het toenmalig provinciaal bestuur zijn geconfisqueerd, uit de kloostergebouwen zijn gehaald en keurig in het provinciehuis zijn opgehangen. De provincie was immers in 1594 officieel eigenaar geworden van alle kloostergoederen. De thematiek is mijns insziens niet te 'werelds' - dat zal men bedoelen - voor een klooster als dat van Aduard. Ten eerste is aan het eind van de 19e eeuw een enorme zandstenen latei of fries in een Aduarder boerderij gevonden met een mythologische voorstelling. Deze 16e eeuwse fries is afkomstig uit het klooster. Niet-bijbelse taferelen werden dus ook in het klooster afgebeeld. Ten tweede wordt in de Aduarder kroniek onder abt Johannes Rekamp gezegd, dat hij 'in het zomerhuis in de abtstuin schilderijen heeft laten ophangen aan de muren en in de eetzaal waar alleen vlees genuttigd mag worden met afbeeldingen uit het Oude en Nieuwe Testament' (uitgave Brugmans, 1928, pag. 88). Johannes Rekamp regeerde van 1528 tot 1549. Bathseba wordt gedateerd in de periode 1530-1545. Van Salomo en de koningin van Sheba heeft men geen idee van het jaar van productie. Het zijn argumenten die Aduard toch duidelijker in beeld laten komen als de opdrachtgever. Deze visie wordt gesteund door de bekende kunsthistoricus G.J. Hoogewerff, die in zijn boek 'Jan van Scorel, Peintre de la renaissance hollandaise' uit 1923 schrijft dat de herkomst van de schilderijen uit de Aduarder abdij wordt bevestigd door de toenmalige rijksarchivaris in Groningen de heer M. Feith (blz. 76).


Rond 1530 schilderde Van Scorel David en Bathseba voor de Aduarder
abdij in opdracht van abt Johannes Rekamp.
© Rijksmuseum Amsterdam

Waterstaat <

De St. Bernardusabdij in Aduard heeft zich, naast het uitoefenen van haar monastieke professie, intens bemoeid met vele facetten van de middeleeuwse maatschappij, in een gebied dat toen onderdeel was van de Friese Zeelanden, maar dat nu de provincie Groningen vormt. De abten van Aduard speelden een belangrijke rol op het wereldlijk toneel, wat voortvloeide uit bijzondere omgevingsfactoren. Het middeleeuwse Friesland onderscheidde zich van de rest van het tegenwoordige Europa op twee gebieden: de fysisch-geografische gesteldheid en het bestuurlijk vacuüm. Het noordelijke kustgebied was een onbedijkt kwelderlandschap waar sinds de Romeinse tijd de bewoners op kunstmatig opgeworpen heuvels (wierden) leefden; het bestond meer uit water dan uit land. Ten tijde van de komst van de Cisterciënzers waren nog maar relatief kleine gebieden hiervan bedijkt. Was de dreiging van de zee vanuit het noorden voor de monniken een alledaagse werkelijkheid, niet minder gevaar kwam er uit het zuiden. De afwatering van hoger gelegen gebieden naar zee, voltrok zich voor een groot deel in de nabijheid van het klooster, het tegenwoordige Middag-Humsterland. Om in zo'n territoir te kunnen overleven, zowel fysiek als economisch, is de wetenschap van waterbeheersing onontbeerlijk. Die inspanning heeft de Aduarder abdij ook geleverd. Door inpolderingen werd nieuw land verworven bestaande uit vruchtbare zeeklei, dat eenmaal in cultuur gebracht, de landbouwproductie enorm verhoogde. Op de lange duur bracht het welvaart. Het grondbezit groeide en was in de 16e eeuw gemiddeld 6000 ha.

De regulering van de waterstand in de rivieren was van groot belang voor het klooster. Ten eerste voor het op peil houden van de grondwaterstand en ten tweede voor het bevaarbaar houden van de waterlopen in verband met de handel. De abt van Aduard realiseerde zich dat dit alleen mogelijk was als alle aanwonenden en belanghebbenden van die rivieren gezamenlijk voor het onderhoud zorgden. Daartoe heeft hij in de 14e eeuw het Aduarder Zijlvest opgericht, het oudste waterschap van de provincie Groningen. Als oprichtingsjaar wordt 1313 vaak aangehaald, omdat de oudste oorkonde op het gebied van waterstaatkundige handelingen van de abdij uit dat jaar dateert. Hierin wordt gesproken over het onderhoud van een waterloop en een sluis genaamd 'Arbere' die het klooster gezamenlijk met de buurschappen Lieuwerderwolde, Roderwolde en Foxwolde heeft gebouwd. Deze sluis ligt (nog) achter de boerderij 'Arbere' van de familie Harkema op Fransum.

Gedeelte van de oorkonde van 1313 over een sluis
'den wij to saemene leget hebben inde steede dhe heet de Arbere'.
© Groninger Archieven

Opheffing <

In 1580 wordt er in en om het klooster gevochten tussen Staatse en Spaanse legers. Het klooster wordt in de brand gestoken en de monniken vluchtten naar hun refugium in Groningen. In 1594 wordt het klooster officieel opgeheven. In dat jaar vindt de Reductie plaats. De stad Groningen en de Ommelanden sluiten zich aan bij de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het Rooms-Katholicisme wordt een verboden godsdienst, alleen de Gereformeerde mag uitgeoefend worden.

De gebouwen zijn geleidelijk gesloopt. Op de ruines ontstond een dorp, nu Aduard geheten. Alleen de ziekenzaal van de abdij is blijven staan. Deze is in 1595 in gebruik genomen als protestantse kerk, wat het nog steeds is. De huidige hoofdstraat in het dorp was de vroegere hoofdweg van het klooster die liep van de Noorderpoort naar de Zuiderpoort. De eerste huizen werden gebouwd langs de vroegere haven van het klooster.

 

Het kloosterterrein <


In Aduard is op het klooster een dorp ontstaan dat zich gevoegd heeft naar de vorm van het kloosterterrein. Binnen de kloostergrachten (de blauwe banen op de foto) werden rond 1600 de eerste huisjes gebouwd, keurig langs het oude binnendiep (nu de Hofstraat) en de hoofdweg (nu de Burg. Seinenstraat) door het klooster van de Noorder- naar de Zuiderpoort. Pas na 1940 is ook de rest van het terrein opgevuld met bebouwing.

De perceelsgewijze indeling van de gronden in Aduard is uit die vorm voortgekomen en wordt begrensd door de nog bestaande kloostergrachten (blauw gekleurd op de plattegrond). De westgracht is zichtbaar in de gedaante van een smalle sloot tussen de Hofstraat en Westerham. In de Middeleeuwen was deze sloot 25 meter breed. Het bestaan van dit eeuwenoude watertje is wel in gevaar gebracht door de bebouwing in de wijk Westerham. Het slibt nu langzaam maar zeker dicht. Ook de oostgracht is in een slootvorm nog te bezichtigen. Deze loopt westelijk van de Snorrelaan achter de oostelijke bebouwing van de Wessel Gansfortstraat langs. De opgravingen hebben verder nog uitgewezen, dat aan deze oostkant nog een binnengracht was van 8 meter breed. De wal tussen buitengracht en binnengracht was 12 meter breed.


Restant van de oostelijke kloostergracht.

De ligging van de zuidelijke gracht is nog goed te zien aan het hoogteverschil tussen de Baron Lewe van Aduardsingel en de tuin van de familie J. Hamming. De vijvers zijn een onbewuste reconstructie van de zuidelijke kloostergracht. Een stukje van de noordgracht heeft nog jaren dienst gedaan als aanvoerwater naar de in 1928 gesloopte korenmolen van Bakker. Daar waar deze noordgracht de hoofdstraat kruiste zijn de resten van een brug gevonden. De gracht liep verder over de Chr. Basisschool en boog ter hoogte van de Vijverweg naar het zuiden af om zo aansluiting te krijgen op de oostgracht. Deze schuine verbinding tussen de oostgracht en de noordgracht, die het kloosterterrein meerhoekig maakt, is later door Evert Joost Lewe, de borgheer van Aduard, gebruikt als visvijver.

 

Lekenbroeders, kloosterboerderijen en voorwerken <

In 11e en 12e eeuw begon men dijken aan te leggen, waardoor grotere gebieden geschikt werden voor landbouw. Vanwege het ontbreken van een centraal gezag ging dat maar mondjesmaat. Met de vestiging van de kloosters werd deze ontwikkeling versneld. De abten in het Groninger land waren krachtige persoonlijkheden die de kennis en het geld hadden om de organisatie voor hun rekening te nemen.

De monniken van het St. Bernardusklooster in Aduard hebben hierin een grote rol gespeeld. Zij toverden drassige kwelders om in bewerkbaar bouwland, waardoor hun landbezit uitgroeide tot ca. 6000 ha. Een groot gedeelte van Middag viel daar ook onder. Dat land was primair bedoeld om de kloostergemeenschap te kunnen onderhouden. Toen het areaal meer producten opbracht dan de monniken konden opeten, werden de overschotten op de markt gebracht. Langzamerhand groeide de abdij uit tot een machtig concern. Het bewerken van de landerijen lieten de monniken over aan zogenaamde conversen, een soort half-monniken. Zij hadden niet de verplichting om alle acht diensten in de kerk te bezoeken. In wezen deden zij het werk dat de monniken hadden moeten doen. De conversen zorgden voor de economie en de contacten met de buitenwereld.

Overal in het landschap rond Aduard bouwde het klooster op wierden en andersoortige verhogingen boerderijen, waar de conversen hun nuttige arbeid verrichtten. Alleen 's morgens en 's avonds bezochten zij de kloosterkerk. Vaak werd er bij de boerderijen een kapel gebouwd met een slaapzaal en een eetzaal, zodat ze niet iedere keer naar het klooster hoefden te lopen. Zo'n kleine, agrarische kloostergemeenschap noemen we een 'voorwerk', in het Latijn grangia geheten.

Wanneer deze werkeenheden te ver van het kloostercomplex verwijderd lagen, werden er vaak ook een slaapzaal, een eetzaal en een kapel bijgevoegd.
Hoewel de conversen minder verplichtingen hadden om in het koor te verschijnen, gingen zij natuurlijk niet vrijuit. Wanneer zij op de uithoven en de landerijen werkzaam waren en deze hadden hun ligging meer dan een dag lopen van het klooster, dan was het niet mogelijk om voor gebed het klooster te bereiken. De uithoven werden dan uitgebreid met bid- en overnachtingfaciliteiten, zoals een kapel en een eetzaal. Zo werden de uithoven kleine kloostertjes. De kapellen mochten echter niet concurrerend zijn voor nabije parochies.
Bij het dorp Aduard liggen het Aduarder Voorwerk en Fransumer Voorwerk. Op beide plekken hebben conversen gewoond en gewerkt. De oorspronkelijke kloostergebouwen zijn er niet meer. Wat er nu nog staat zijn boerderijen die zijn gebouwd na de kloostertijd. De oudsten dateren uit de 17e eeuw, de jongste uit de 19e eeuw. In één boerderij is in de voorgevel een gedenksteen gemetseld met de wapens van het klooster Aduard van de abt, die deze heeft laten maken.
D e oudste vermelding van zo'n kloosterboerderij in oorkonden van de abdij is de boerderij Arbere bij Fransum.


De boerderij 'Arbere' op een landmeterskaart van 1735.
© Groninger Archieven

In een overeenkomst van 1313 tussen de abt van Aduard en de ingezetenen Lieuwerderwolde, Peize, Roderwolde en Foxwolde, wordt gesproken over een sluis 'die wij gezamenlijk gelegd hebben bij de plaats die 'Arbere' heet.' Niemand wist wat men hiermee bedoelde, totdat in de eerste helft van de twintigste eeuw iemand de naam ontdekte op een gedenksteen in de boerderij van Harkema.

'Arbere' is oudfries en betekent 'graanschuur'. Die naamgeving is niet zo verwonderlijk. De monniken bedreven veel meer landbouw in deze streken dan nu gebeurt. Ook elders in Europa bouwden de Cisterciënzer monniken grote graanschuren, bijvoorbeeld bij het klooster Ter Doest in België. Deze prachtige schuur is nog te bewonderen (zie foto onder).
Hier herinneren de namen Aduarder Voorwerk en Fransumer Voorwerk ons nog aan die tijd, en natuurlijk de prachtige 13e eeuwse ziekenzaal voor de koormonniken in Aduard.

Abtenlijst <

1 1192 Wibrandus Sticht het klooster samen met twaalf monniken.
2 1206 Albertus I Bouwt een nieuwe kapel.
3 1216 Wigboldus Stuurt lekebroeder-bouwmeester naar Clairvaux om die kerk als model voor Aduard te bekijken.
Legt fundamenten voor de grote kruiskerk.
Sticht dochterklooster Ihlow.
4 1242 Eylwardus
5 1254 Egbertus
6 1257 Eppo Sticht dochterklooster in Assen en in Termunten.
7 1262 Geyko Richardus overlijdt.
8 1268 Eggardus
9 1287 Herebrandus
10 1291 Rippertus I
11 1292 Albertus
12 1292 Henricus I Bouwt een nieuwe ziekenzaal en ontvangt Emanuel van Cremona.
13 1301 Eyboldus
14 1305 Eylardus Voedt de hongerigen in het rampjaar 1315 door een enorme kookpot te laten maken.
15 1329 Fredericus Gaaikema Gaat naar Rome voor de heiligverklaring van Emanuel en Richardus (zonder resultaat).
Bouwt kapellen op Langeweer, Lagemeeden en aan de Munnekeholm in Groningen.
16 1350 Hoptatus Regelt vrije doortocht voor de handelsschepen van het klooster bij Stade in Duitsland.
17 1352 Thybodus
18 1371 Rippertus II
19 1400 Mennardus
20 1421 Sacherus
21 1423 Rodolphus Herbouwt de toren van de kerk, legt een waterleiding aan en vernieuwt het dak van de slaapzaal en de bibliotheek.
22 1450 Henricus II Ontvangt de 'Aduarder Kring'.
Renoveert de kerk tot een 'tempel van licht'.
23 1485 Wolterus I Bouwt een nieuwe kapel op de uithof 'Ter Helle' bij Roden.
24 1494 Wolterus II
25 1500 Hermannus
26 1504 Bernardus I
27 1505 Bernardus II
28 1506 Elbertus
29 1522 Lambertus Richt een marmeren tombe op voor Emanuel van Cremona.
30 1528 Johannes II Vult de bibliotheek aan met vele boeken.
Raakt in conflict met de pachters van de kloosterhoeven.
31 1549 Godefridus Verfraait de uithof 'Het Paradijs' bij Roden.
32 1561 Arnoldus I Legt een prachtige tuin aan met een labyrinth.
Wordt afgezet wegens wanbeleid.
33 1577 Arnoldus II Sterft in Groningen in de strijd tussen Stad en Ommelanden.
Wordt voor het hoogaltaar begraven naast Emanuel van Cremona.
34 1578 Johannes III
35 1588? Wilhelmus Sticht het Aduarder Gasthuis in Groningen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

St. Bernard Abbey