geschiedenis van Aduard

St. Bernardusabdij Huis te Aduard Dorp Aduard CisterciŽnzers Middag-Humsterland Ziekenzaal rutgerproductions



Erfgoedkoepel

Museum St. Bernardushof

Zuiderpoort

Historische Vereniging Aduard


foto-archief

audio-archief

video-archief


literatuur

links

downloads


gastenboek


Historisch Westerkwartier


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Cisterciënzers

Een zekere Robertus begon in 1075 in het bisdom Langres met een nieuwe kloosterstichting - onder Cluniacenzer (=Benedictijner) vlag - in het bisdom Langres. Dit klooster, Molesme geheten, trok vanwege het nieuwe ascetische elan veel broeders.

Zoveel, dat na verloop van tijd de idealen van Robertus geleidelijk wegsleten en het een abdij werd zoals alle andere. Robertus, teleurgesteld, maar een ervaring rijker, verliet met een aantal volgelingen Molesme en begon 20 km ten zuiden van Dijon een zelfstandig project: het novum monasterium oftewel het ‘nieuwe klooster’, op een plaats ‘vol verschrikking en barre eenzaamheid’. Het terrein droeg de naam ‘Citeaux’ van Cistercium. Waarschijnlijk lag het aan de oude Romeinse weg tussen Langres en Chalon-sur-Sane, dat daar de Latijnse aanduiding had cistertium lapidem miliarium: aan deze kant van de derde mijlpaal. Eerst bleef men de naam ‘het nieuwe klooster’ aanhouden; later werd het klooster ‘Citeaux’ genoemd en de monniken ‘Cisterciënzers’. De officiële stichtingsdatum is 21 maart 1098.
Nu doet er zich iets merkwaardigs voor. De monniken van Molesme willen Robertus terug als abt en spelen dat hoog, namelijk via de paus. Robertus verlaat daarop zijn ‘kind’ Citeaux en hervat zijn abbatiale functie in Molesme alwaar hij in 1111 sterft. Historici van alle tijden hebben zich het hoofd gebogen over deze plotselinge ommezwaai in Robertus opvattingen. Waarom hij dit gedaan heeft blijft een raadsel. De Cisterciënzers zelf hebben het Robertus nooit kunnen vergeven. Hij werd gezien als een deserteur en de eerste abtenlijst van Citeaux vermeldt zijn naam zelfs niet. Pas meer dan 100 jaar na zijn dood werd hij heilig verklaard en in 1222 is hij opgenomen in de Cisterciënzer kalender. Zijn feestdag is 29 april. Na Robertus zijn vertrek werd Albericus tot abt verkozen. Hij herbouwde het klooster een kilometer verder naar het noorden. De kerk werd ingewijd in 1106.
Op 19 oktober 1100 verleende de paus Citeaux enkele privileges. Er stond o.a. in dat de abdij niet mocht worden lastig gevallen en beschermd werd door de apostolische stoel. De monniken dragen nu een ongebleekte habijt met een zwarte scapulier en worden in de volksmond ‘witte monniken’ genoemd. Albericus werd in 1109 opgevolgd door de Engelsman Stephen Harding. Het is deze man geweest die door zijn talenten van Citeaux een kloosterorde wist te maken. Hij maakte er een hechte organisatie van met vastomlijnde doelstellingen. Het grondbezit van Citeaux dijde uit en de eerste grangiae of voorwerken werden gebouwd. Op wetenschappelijk gebied wist Stephanus ook vorderingen te maken. In de Regel van Benedictus is meerder malen sprake van hymnum Ambrosianum, de hymnen van St. Ambrosius. Hij liet onderzoeken of die hymnen ook werkelijk van Ambrosius afkomstig waren en of ze goed gezongen werden. Verder hield hij zich bezig met een reconstructie van de Vulgaattekst van de bijbel. In het scriptorium van Citeaux werden onder zijn leiding vele mooie handschriften met vlijt prachtig gekopieerd.
In 1112 huisden er zoveel monniken in Citeaux, dat men niet voldoende gronden had om ze te voeden en niet genoeg ruimte om ze allemaal een fatsoenlijk onderdak te kunnen bieden. In dit jaar werd overgegaan tot de stichting van het eerste dochterklooster: La Ferté. In 1114 volgde Pontigny en Clairvaux en Morimond in 1115. En hierna tot 1119 nog zeven andere nieuwe kloosters.

 

Organisatie

De Cisterciënzers hadden een perfecte organisatie die in verschillende manuscripten was vastgelegd. Deze worden gewoonlijk de 'consuetudines' genoemd. Er zijn drie soorten geschriften van: de Ecclesiastica Officia, de Instituta Capituli generalis en de Usus conversorum.
In de Ecclesiastica Officia worden hoofdzakelijk beschrijvingen gegeven van de liturgie. Ook zijn er hier en daar opmerkingen te vinden over het monnikenleven in ruimere zin. In de documenten, die opgesteld zijn door het Generaal Kapittel en waarin verordeningen voortvloeiend uit haar jaarlijkse bijeenkomsten zijn neergeschreven, is nooit sprake van de Ecclesiastica Officia, maar steeds van de Usus of Liber usuum. Volgens Choisselet (1989:46) schijnt het zo te zijn, dat laatstgenoemde drie termen synoniemen zijn van elkaar en dus steeds geschriften aanduiden die inhoudelijk gelijk zijn.
Onder de naam Liber Usuum is in 1531 een editie uitgebracht, die begint met De egressu Cisterciensium monachorum de Molismo (de uittocht van de Cisterciënzer monniken uit het klooster Molesme) en De exordio Cisterciensis cenobii (het begin van het Cisterciënzer klooster Citeaux) en verder gaat over het Ecclesiastica Officia oftewel het kerkelijk officie. In het klooster Sion in Diepenveen kreeg ik van dit boekwerk een uitgave onder ogen uit 1643. Het is gebaseerd op een manuscript, dat het generaal kapittel besloot te laten maken (in 1170) om alle liturgische teksten te bundelen. De reden hiervoor was, dat men eenvormigheid wilde bereiken in de liturgie. Dit manuscript is bewaard gebleven en bevindt zich in de gemeentelijke bibliotheek van Dijon onder de naam Ms. Dijon 114. Het manuscript bevat de volgende boeken:

-breviarium (brevier)
-epistolare (epistels voor het gehele jaar)
-textus evangeliorum (gedeelten uit de Evangeliën)
-missale (over de mis)
-collectaneum (alles wat de priester moet bidden)
-kalendarium (kalender van Heiligen)
-regula (de Regel van Benedictus)
-consuetudines (het Officia Ecclesiastica of Liber Usuum)
-psalterium (de 150 psalmen)
-cantica (de kantieken)
-hymnarium (verzameling van hymnen)
-antiphonarium (de antifonen)
-graduale (alle antifonen en responsoriën voor de mis)

Na de stichtingen van de eerste vier dochterkloosters werd besloten het filiatie-systeem in te voeren. Dit hield in dat een moederklooster toezicht moest houden op haar dochterklooster(s). De consequentie hiervan was, dat het allereerste klooster bovenaan in de stamboom - Citeaux - niet gecontroleerd kon worden. Daarom werd in de Carta Caritatis verordonneerd, dat Citeaux onder de controle moest vallen van haar eerste vier dochterkloosters, zijnde La Ferté (1113), Pontigny (1114), Clairvaux en Morimond (1115). Om alle 'afstammelingen' van Citeaux, dus alle Cisterciënzer kloosters, organisatorisch op één lijn te krijgen en besluitvormingen massaal te kunnen laten doorvoeren, werd er één keer in het jaar een samenkomst gehouden in Citeaux, waar de abten van alle kloosters present moesten zijn. Alleen de abten van kloosters gelegen in verre landen hoefden niet elk jaar te komen. Zo staat in een bepaling van 1198, dat de abten van Friese kloosters slechts één maal in de twee jaar dienden te verschijnen. De vergadering werd voorgezeten door de abt van Citeaux, die tesamen met de abten van de vier eerste dochterkloosters het bestuur vormde van deze samenkomst, het zogenaamde Generaal Kapittel. De activiteiten van het Generaal Kapittel worden wel gezegd mede te zijn geleid door een groep van specialisten, die veranderingen in de regelgeving op liturgisch, economisch of organisatorisch gebied moesten voorbereiden. In een statuut van 1197 staat hun aanstelling vermeld en worden zij definitores genoemd. Veel zaken werden door de vijf abten aan hen gedelegeerd. Ook het samenstellen van een nieuwe codificatie van Cisterciënzer rechtsregels in 1256 werd, na toestemming van het Generaal Kapittel, in handen geschoven van de definitores. Hun macht schijnt zeer groot geweest te zijn, want in 1262 probeert de abt van Citeaux, Jacques II, de groep alle bevoegdheden te ontnemen. Zijn poging lijdt echter schipbreuk als in 1265 de paus een bul uitvaardigt, waarin striktere regels voor de verkiezing van de definitores en hun aantal zijn opgenomen.

  

Dagindeling

De dag kent voor de monniken drie bezigheden: bidden, werken en rusten. Deze zijn verdeeld over een dagtijd en een nachttijd. De dagtijd en nachttijd zijn niet altijd even lang. In de winter zijn de dagen het kortst, in de zomer het langst. De kortste dag met de langste nacht is op 22 december en de langste dag met de kortste nacht op 21 juni.

Elke dag wordt de mis gevierd. In de zomer van 8.15 - 9.00 en in de winter van 7.40 - 8.30 uur. Op zondagen en feestdagen duurt de mis langer.
De priesters moesten elke dag in hun eentje de mis vieren. Vandaar dat de Middeleeuwse kerken zoveel altaren hadden. Deze privé-missen zijn later door het Vaticaan verboden. De gemeenschappelijke mis is toen de belangrijkste geworden.

Hoe ziet de dag/nachtindeling eruit?

zomer

 

winter

2.30

Vigiliën

1.30

3.40

Lauden

6.40

8.00

Terts

8.40

10.45

Sext

11.15

14.00

Noen

14.00

17.30

Vesper

15.30

18.30

Kompleten

16.30

Na de Kompleten gaan de monniken naar bed. Om ongeveer 2.00 uur 's nachts worden ze gewekt door de bel en gaan ze vanuit de slaapzaal naar de kerk voor de eerste dienst, de Vigiliën.

's Zomers om 5.00 uur en 's winters om 9.00 uur verzamelen de monniken zich in de Kapittelzaal, waar de abt met hen bidt en de taken voor de komende dag verdeelt.
Er wordt gewerkt van 5.30 - 7.30 en 14.30 - 17.00 uur in de zomer en in de winter van 9.30 - 11.00 en 11.30 - 13.10.

De werkzaamheden bestaan uit het onderhouden van de tuin, het schoonhouden van de gebouwen, het wassen van de kleren en het schrijven. De zware werkzaamheden werden in de Middeleeuwen verricht door de conversen, zoals o.a. het land bewerken, het smeden, het bakken van brood en het brouwen van bier. Tegenwoordig doen de monniken dit ook. Conversen zijn er niet meer.

Er is ook tijd gereserveerd om te lezen: In de zomer van 9.30 - 10.45 uur en in de winter van 2.50 - 6.45 uur. Gedurende de 40-dagen tijd wordt er in de morgen niet gewerkt, maar gelezen.

Rusten en eten
In de zomer, wanneer de dagen langer zijn, wordt er meer en harder gewerkt. De monniken krijgen dagelijks twee maaltijden en hebben twee pauzen om te rusten.
Het middagmaal wordt opgediend om 11.00 uur en het avondmaal om 18.30 uur. Vroeg in de middag mogen de vermoeide broeders een tukkie doen, en wel van 11.30 - 13.30 uur. De nachtslaap is om 19.30 uur.
In de winter is er maar één maaltijd en één rustpauze, maar geen tukkie in de middag. De nachtslaap begint al om ongeveer 17.00 uur.

Twee keer per jaar wordt er gevast. Aan het eind van de maand September en gedurende de 40-dagen tijd.

Grote kloosters hebben twee keukens. Eén voor de eetzalen van de monniken en de conversen en één voor de eetzaal van de ziekenzaal. De zieke, zwakke en bejaarde monniken mochten vlees eten. De gezonde en jonge monniken niet. Zij aten uitsluitend groenten, brood en water, geen vlees, vis, eieren of melkprodukten. Bij de ziekenzaal lag een kruidentuin voor de bereiding van medicijnen.

 Bernardus van Clairvaux

De beroemdste kloosterling van de Late Middeleeuwen is Bernardus van Clairvaux. Hij werd geboren in 1090 nabij Dijon en was de derde van zeven kinderen. Als jongeling besloot hij monnik te worden en koos het klooster Citeaux als zijn thuis. Al na twee jaren wordt hij door abt Stephen Harding uitgezonden om een nieuw klooster te stichten in het landschap Champagne. Het klooster wordt Clairvaux genoemd, wat betekent: Heldere Vallei. Maar Bernardus zijn gezondheid is slecht. Hij kan het klooster niet zo lang leiden als hij zou willen. De bisschop geeft hem toestemming te gaan rusten.


Bernardus spreekt de monniken
toe in de kapittelzaal van het klooster Clairvaux.

Bernardus heeft veel geschreven en gepredikt. In 1146 zet hij zich in voor de Tweede Kruistocht, die in een fiasco eindigt. Theologisch gezien is hij een vertegenwoordiger van de mystieke traditie. Hij streeft een innerlijke, persoonlijke band met God na via het monastieke, contemplatieve leven. Fel is zijn verzet dan ook tegen de Scholastiek, die de bijbel uitlegde op basis van verstandelijk redeneren. Bernardus gaat de strijd aan met een zekere Abelardus, die lesgeeft aan scholen in Parijs. Abelardus zijn visie op het lezen van de Bijbel - scholastisch - vindt hij onjuist. Uiteindelijk wordt Abelardus door de paus veroordeeld. In zijn geschriften sprak Bernardus ook kritiek uit over de weelde, de misbruiken en de verslapping in de kerk. Hij bekeert veel mensen en spoort ze aan monnik te worden.

Bernardus bepaalde dat in de kloosters geen overdaad aan versieringen mogen voorkomen, niet in de geschriften en ook niet in de gebouwen. In zijn tijd zijn de kloosters dan ook eenvoudig en sober. De abdij Fontenay in Frankrijk stamt uit de tijd van Bernardus. De gebouwen zijn laag, de muren dik en zonder ornamenten, de ramen klein.
Hij stierf in het jaar 1153. Na zijn dood werd er niet meer zo streng geleefd in de kloosters. Dit is te zien aan de gebouwen die na zijn leven zijn verrezen. Zij zijn veel groter en mooier dan Bernardus had voorgeschreven. Hij is ook de man geweest naar wie het klooster Aduard is genoemd: het St. Bernardusklooster.

 Conversen

In een klooster werd natuurlijk niet alleen gebeden, gelezen en gezongen, maar ook gewerkt. De Cisterciënzers zijn ervan uitgegaan, dat de arbeid geen belemmering mocht zijn voor de monniken om deel te nemen aan het koorgebed. Zij hebben daarom reeds in het begin besloten om de zware werkzaamheden die uitgevoerd moesten worden om de economie in het klooster draaiende te houden op te dragen aan zogenaamde conversen of lekebroeders. Deze waren geen volwaardige monniken, in die zin dat zij niet gehouden waren aan de gebedsuren en buiten de kloosterhof woonden.

Bovendien waren zij niet onderworpen aan de RB, maar aan de Usus conversorum, een verzameling regels voor de conversen. Ze werden wel ontvangen in de kapittelzaal van de monniken bij hun binnenkomst in het klooster en bij hun professie, maar leefden gescheiden van de monniken in een gebouw, dat in elke plattegrond langs de westelijke kruisgang is gesitueerd. Hierin hadden zij een eigen eetzaal, slaapzaal en een cellarium. En westelijk hiervan - bij de grotere kloosters- een eigen ziekenzaal. Het conversengebouw was soms nog van de kloostergang gescheiden door een zogenaamde 'ruelle de convers', 'lay-brothers lane' oftewel conversenlaan, waardoor de conversengemeenschap nog beter van de monnikengroep kon worden geisoleerd.
In de kerk was in het schip een scheiding aangebracht ten westen van de viering (kruising transepten en schip), waarachter de conversen de diensten van de monniken mochten volgen samen met de zieken. Ze droegen niet, zoals de monniken, een witte of grijze pij met zwarte scapulier, maar een grijs of bruin habijt. Een convers kon ook nooit een monnik worden.
De conversen werkten op het land, bakten het brood, brouwden het bier etc. onder de leiding van een conversenmeester, die in het klooster woonde. Bij de landerijen waarop de conversen werkzaam waren werden grangiae of voorhoven gebouwd; dit waren boerderijen met grote voorraadschuren. Wanneer deze werkeenheden te ver van het kloostercomplex verwijderd lagen, werden er vaak ook een slaapzaal, een eetzaal en een kapel bijgevoegd.

Handel

De Cisterciënzers kregen meestal land om een klooster te stichten. Op die landerijen werd van alles verbouwd, meer dan men in het klooster nodig had. Wat over was werd verkocht. Zo verdiende men geld. Dit was niet de bedoeling, want een monnik moest in armoede leven. De monniken kregen dat land van edellieden en grootgrondbezitters. Soms uit liefdadigheid, maar vaak werd er ook om een tegenprestatie gevraagd, zoals opname in de kloostergemeenschap of de verplichting te bidden voor de familie van de schenker. Een abdij kon dus alleen maar gesticht worden na schenking van land of op initiatief van anderen. De Cisterciënzers deden het nooit uit zichzelf. Het geschonken land moest vrij zijn van belastingen.
De Cisterciënzers hadden de capaciteiten om onbewoonbaar gebied en verwilderd landschap in rap tempo in cultuur te brengen. Het klooster Ter Duinen in Vlaanderen wist een woeste, zanderige streek van ruim 10.000 hectare in vruchtbaar land om te toveren. Vaak kregen de monniken enorme wouden in de maag geduwd, die eerst gekapt moesten worden. Talrijk zijn de gevallen waarin de verkregen landerijen ten prooi vielen aan het onder invloed van de getijden staande water van grote rivieren. Aanleg van dijken en sluizen was in zulke gevallen onontkomelijk (zoals in Aduard).
De Cisterciënzers werden wereldwijd gezien als succesvolle en schatrijke ondernemers. Het is niet zo dat zij altijd bulkten van het geld. In tijden van misoogsten, oorlogen en overstromingen viel een groot deel van het inkomen weg en loerde het bankroet. In de 13e eeuw zien we dat de kloosters steeds vaker naar andere middelen zoeken om aan geld te komen, om niet helemaal afhankelijk te zijn van het wel of niet slagen van de oogsten. Het zwaartepunt komt steeds meer te liggen op de handel.
Hoewel de conversen niet de verplichting hadden om aan de koordiensten deel te nemen, betekende dit niet dat ze helemaal vrijgesteld waren. Wanneer zij op de uithoven en de landerijen werkzaam waren en deze hadden hun ligging meer dan een dag lopen van het klooster, dan was het niet mogelijk om voor gebed het klooster te bereiken. De uithoven werden dan uitgebreid met bid- en overnachtingfaciliteiten, zoals een kapel en een eetzaal. Zo werden de uithoven kleine kloostertjes. De kapellen mochten echter niet concurrerend zijn voor nabije parochies. De oudste Cisterciënzer voorwerken hadden nog geen kapellen. Die zijn er later bijgebouwd. In deze kapellen mocht geen mis gelezen worden voor leken, d.w.z. arbeiders - niet-kloosterlingen - die werkten op de hoeven. De parochiekerken misten hierdoor inkomsten en beschouwden de voorwerken in die zin als concurrenten. Toen het aantal conversen geleidelijk aan daalde, bleek bewerking van de gronden door deze groep niet meer mogelijk en werden de hectaren verpacht.
De opdeling van de landerijen gebeurde in stukken van 160 tot 200 ha. De hoevemeester of grangarius had de leiding op een voorwerk. De meeste abdijen, vooral die in het relatief dichtbevolkte Bourgondië, hadden niet zoveel grondbezit, gemiddeld een paar honderd hectare. De grote abdijen in de dunbevolkte gebieden bezaten enkele duizenden. Poblet in Portugal had 22.000 ha in eigendom, Ter Duinen in België 10.000 en Mellifont in Engeland 20.000. Toch zegt het aantal hectaren niets over de daar uit voortvloeiende of aan gekoppelde rijkdom. Van meer belang is de mate van vruchtbaarheid van de landerijen. Hoe minder hectares per hoeve/voorwerk, hoe vruchtbaarder het land. Dit is enigszins te bepalen door te kijken naar het aantal voorwerken/hoeven dat in gebruik was. Mellifont had 16 hoeven = 1250 ha per hoeve en Poblet 27, wat neerkomt op 814 ha per hoeve. Igny had 4000 ha en 17 hoeven = 235 ha per hoeve. Het grote Fountains Abbey in Yorkshire, Engeland, had 26 buitenhoeven. Hierbij moet opgemerkt worden dat in de literatuur niet duidelijk het verschil wordt aangegeven tussen een ‘hoeve’ en een ‘voorwerk’.

  Taakverdeling

Abt
Aan het hoofd van het klooster staat de abt, die door de monniken en onder het toezicht van de abt van het moederklooster, wordt gekozen. Hij leidt de gebedsuren (de diensten) in de kerk en ook de bijeenkomsten in de kapittelzaal. Hij verdeelt de taken en bestraf monniken die zich misdragen hebben of andere overtredingen hebben begaan. Vaak heeft hij een cel dicht bij de trappen, die van de slaapzaal van de monniken toegang geven tot de kerk. Als er gasten zijn, eet hij bij hen.
Verder benoemt hij de prior, de novietenmeester, de sacristein, de cantor, de ziekenmeester, de keldermeester, de gastenbroeder en de portier.

Prior
De prior staat direct onder de abt en vervangt hem wanneer hij afwezig is. Hij zit aan het hoofd van de maaltijd van de monniken.

Novietenmeester
Deze man onderwijst en begeleidt de novieten in een hiervoor aangewezen ruimte. Na een jaar kunnen de novieten monnik worden.

Sacristein
De sacristein is een soort koster, die zorgt voor de altaren, de kaarsen, de hostie etc. Ook luidt hij de klok.

Cantor
De cantor is de zangleraar, die bovendien de monniken tijdens de gebedsuren in het koor in het zingen begeleidt. Hij is ook archivaris en bibliothecaris.

Ziekenmeester
Deze dokter van de monnikengemeenschap vertoeft meestal in de ziekenzaal bij zijn patienten. Als er iemand gestorven is legt hij hem af.

Keldermeester
De keldermeester zouden wij de manager van het kloosterbedrijf noemen. Hij regelt de financiën, verzorgt de boekhouding en regelt de werkzaamheden voor de conversen bij het klooster en op de voorwerken.

Portier
De portier houdt toezicht op de poort, ontvangt de gasten en deelt aalmoezen uit aan de armen. Hij eet samen met de serveerders in de eetzaal.

Kandidaat-monnik of leek
Als iemand monnik wilde worden en hij was tenminste 18 jaar dan meldde hij zich bij de poort en werd in het klooster ontvangen. Er volgde dan een verblijf van vier dagen in het gastenhuis. Daarna werd hij ontvangen door de abt in de kapittelzaal waar hem de orderegels werden gegeven. Hij kreeg drie dagen de tijd om deze te bestuderen. Als hij besloot te blijven werd hij noviet en kwam onder het toezicht van de novietenmeester.

Na een jaar volgde professie. Hij moest de eed van armoede, kuisheid, gehoorzaamheid en stabiliteit afleggen. Daarna ontvang hij de pij, werd z'n haar geknipt (tonsuur) en moest hij een knieval maken voor de abt, prior en de monniken. Dan was hij monnik.

  Cisterciënzers van de Algemene en de Strikte Observantie (O.C.S.O.)

Het monastieke leven door de eeuwen heen kenmerkt zich door een voortdurende drang tot herbezinning en terugkeer tot de zuiverheid van de Regel van Benedictus. Zoals de orde zelf ook ontsproten is uit die gedachte, zo ook vindt binnen het Cisterciënzer bestel een herijking plaats in beweging gezet door de Rancé, abt van het klooster La Trappe. De monniken van deze abdij werden Trappisten genoemd. Een zekere Augustin de Lestrange (1754-1827), novietenmeester in La Trappe, vlucht naar Zwitserland, waar hij het klooster Valsainte sticht. De levenswijze in Valsainte kenmerkt zich door een zeer zware askese en boetedoening. In 1794 wordt Lestrange tot abt verkozen. In 1798 vallen de Franse legers Zwitersland binnen en Lestrange en zijn monniken verlaten Valsainte en gaan op weg naar Rusland. Tijdens de lange reis verandert Lestrange van gedachte en gaat in 1800 scheep naar Amerika. Ook deze uittocht mislukt en de gemeenschap valt uiteen. Hij vlucht zelf naar Amerika en keert na de val van Napoleon terug naar Europa. Intussen groeit de nieuwe observantie binnen de Cisterciënzer orde gestadig. In 1814 wordt Westmalle hersteld. In 1825 zijn er 15 abdijen onder haar hoede, in 1855 31 en in 1894 al 56.
De door de Rancé voorgeschreven levenswijze blijkt een aantal Trappisten toch te veel van het goede en niet verenigbaar met het Cisterciënzer ideaal. Onder leiding van Eugne de Laprade (1764-1816) vindt er een afsplitsing plaats van monniken die kiezen voor de mildere tucht van de Rancé, terwijl de anderen Lestrange blijven volgen. In Frankrijk zit men hier mee in de maag. In 1834 gelukt het om beide congregaties te verenigen onder de Regel van Benedictus en de wetgeving van de Rancé. De unie wordt echter in 1847 al weer opgeheven. In 1893 komen de beide observanties van La Trappe samen en vormen de ‘Orde der hervormde Cisterciënzers of der strikte observantie’, volgens de voorschriften van de Rancé. In 1898 wordt Citeaux teruggekocht en bevolkt. De officiële naam van de observantie van La Trappe wordt vastgesteld in 1902 en is dan ‘Orde der hervormde Cisterciënzers of der strikte observantie’. De naam La Trappe vervalt. Heden ten dage echter is de naam trappisten een begrip.

De huidige Cisterciënzer abdijen in Nederland:

Cisterciënzers
Abdij Mariënkroon
Abdijlaan 9
5253 ZG Nieuwkuijk

Cisterciënzers O.C.S.O.
Abdij O.L.Vr. van Koningshoeven
Eindhovenseweg 3
5056 RP Berkel-Enschot

Abdij O.L.Vr. Van Sion
Vulikerweg 6
7431 PJ Diepenveen

Sint Benedictus Abdij - Achelse Kluis
Abdijweg 50
5556 VE Valkenswaard

Abdij Lilbosch
Pepinusbrug 6
6102 RJ Pey-Echt

Abdij O.L.Vr. Onbevlekt
Ontvangen
Ulingsheide 1
5932 NA Tegelen

Abdij Maria Toevlucht
Rucphenseweg 38
48882 KC Zundert

Abdij O.L.Vr. van
Koningsoord
Raadhuisstraat 26
5056 HD Berkel-Enschot

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

St. Bernard Abbey